Theorie
Kettingregel oefenen
Je gebruikt de kettingregel als er een functie in een functie zit. Eerst de buitenkant, daarna vermenigvuldig je met de afgeleide van de binnenkant.
f is de functie die je differentieert. g is de buitenste functie, h de binnenste.
f(x)=g(h(x))f′(x)=g′(h(x))⋅h′(x)
Stappenplan
- 0Kijk naar de buitenste schil. Zit er een functie in een functie, bijvoorbeeld een macht om haakjes of een wortel om iets met x? Dan is het de kettingregel.
- 1Noem de hele functie f, de buitenste functie g en de binnenste h. Schrijf f(x)=g(h(x)).
- 2Bereken g′(h(x)) en h′(x). In de afgeleide van de buitenkant laat je h(x) staan.
- 3Vermenigvuldig: f′(x)=g′(h(x))⋅h′(x). Werk dat uit tot een net antwoord.