Theorie
Productregel oefenen
Je gebruikt de productregel als twee functies met elkaar vermenigvuldigd worden. Je differentieert ze om de beurt en telt die twee uitkomsten op.
f is de functie die je differentieert. g is de eerste factor, h de tweede.
f(x)=g(x)⋅h(x)f′(x)=g′(x)⋅h(x)+g(x)⋅h′(x)
Stappenplan
- 0Kijk of twee functies met elkaar vermenigvuldigd worden. Staan er twee delen met x naast elkaar, zonder plus of min ertussen? Dan is het de productregel.
- 1Noem de hele functie f, de eerste factor g en de tweede factor h. Schrijf f(x)=g(x)⋅h(x).
- 2Bereken g′(x) en h′(x). Elke factor apart, met de machtsregel of de somregel.
- 3Tel de twee producten op: f′(x)=g′(x)⋅h(x)+g(x)⋅h′(x). Werk dat uit tot een net antwoord.
Drie voorbeelden
f(x)=(3x+2)(x−4)
- Stap 0. Er staan twee factoren naast elkaar: 3x+2 en x−4. Dat is de productregel.
- Stap 1. g(x)=3x+2 en h(x)=x−4.
- Stap 2. g′(x)=3 en h′(x)=1.
- Stap 3. f′(x)=3(x−4)+(3x+2)⋅1=3x−12+3x+2=6x−10.
Antwoord: f′(x)=6x−10
f(x)=(x2+3)(2x−1)
- Stap 0. Er staan twee factoren naast elkaar: x2+3 en 2x−1. Dat is de productregel.
- Stap 1. g(x)=x2+3 en h(x)=2x−1.
- Stap 2. g′(x)=2x en h′(x)=2.
- Stap 3. f′(x)=2x(2x−1)+(x2+3)⋅2=4x2−2x+2x2+6=6x2−2x+6.
Antwoord: f′(x)=6x2−2x+6
f(x)=(x−1)(x2+x+1)
- Stap 0. Er staan twee factoren naast elkaar: x−1 en x2+x+1. Dat is de productregel.
- Stap 1. g(x)=x−1 en h(x)=x2+x+1.
- Stap 2. g′(x)=1 en h′(x)=2x+1.
- Stap 3. f′(x)=(x2+x+1)+(x−1)(2x+1). Eerst (x−1)(2x+1)=2x2−x−1. Dan x2+x+1+2x2−x−1=3x2.
Antwoord: f′(x)=3x2